VERFSOORTEN

Een beknopte beschrijving van de door mij gebruikte verfsoorten.

Over de samenstelling en eigenschappen van de verfsoorten valt zeer veel te vertellen. Met dit verhaal wil ik echter alleen de zichtbare eigenschappen van verflagen op schilderijen belichten. Voor enig begrip omtrent eigenschappen van verfsoorten is het hier slechts van belang te weten, dat de belangrijkste grondstoffen voor de verfbereiding pigmenten, bindmiddelen en oplosmiddelen zijn. Zij bepalen de karakteristieke verschillen tussen aquarellen, gouaches, acryl-, olieverf-, en temperaschilderijen.

Behalve olieverf, waarvan het bindmiddel (een plantaardige olie) van zichzelf dunvloeibaar is, bevatten alle kunstschilderverven een vrij grote hoeveelheid oplosmiddel. Oplosmiddelen zijn waterdunne, vluchtige vloeistoffen die tijdens en na het schilderen uit de verflaag verdampen. Bovendien mengen kunstschilders tijdens het schilderen vaak nog flink wat oplosmiddel door de verf om deze te verdunnen en zo de verwerkbaarheid naar hun hand te zetten. De droge verflaag op een schilderij bestaat alleen uit pigment en bindmiddel; op het moment dat de verf uit de tube wordt geknepen begint het oplosmiddel al te verdampen.
Als het schilderij droog is, heeft het oplosmiddel zijn taak volbracht en is uit de verflaag verdwenen. De invloed van het oplosmiddel op het uiterlijk van een verflaag wordt dan ook vooral bepaald door de hoeveelheid die zich voor het drogen in de verf bevond; verf die veel oplosmiddel bevat en waaraan een kunstschilder tijdens het schilderen ook nog eens veel toevoegt, laat na het schilderen zeer dunne lagen achter. Naarmate de verf meer verdund wordt, zal ze meer in de drager verdwijnen. Het is echter vooral het dunne bindmiddel dat in de drager wegschiet en in veel mindere mate het pigment.

Pigmenten zijn poedervormige stoffen, die de kleur van de verf bepalen; een gele verf wordt van gele pigmenten gemaakt, blauwe verf van blauwe, rode verf van rode enzovoort.

Bindmiddelen ‘plakken’ de pigmentdeeltjes aan elkaar en aan de drager (het doek, papier of paneel). Zonder een bindmiddel zou het schilderij na drogen als poeder van de drager dwarrelen. De meeste bindmiddelen zijn vaste stoffen, die voor de verfbereiding vloeibaar gemaakt worden door ze in een geschikt oplosmiddel op te lossen, waarna ze met pigmenten tot verf gemengd kunnen worden.

De pigmentdeeltjes zijn meestal groter dan de poriën in de ondergrond. Het uiterlijk van de droge verflaag wordt bepaald door de hoeveelheid pigment en bindmiddel in de verf; het pigmentpoeder heeft een volstrekt mat en ondoorzichtig oppervlak, het bindmiddel glimt en is volkomen transparant. Het oppervlak van een verflaag met veel pigment en weinig bindmiddel zal daarom een zacht en mat uiterlijk hebben. Naarmate er meer bindmiddel in de verf zit, zal de glans van de laag toenemen. Eén en ander is zeer duidelijk te zien bij twee uitersten
op dit gebied: het fluweelzachte en matte oppervlak van een pastel en
het glimmende oppervlak van een schilderijenvernis.
Het oppervlak van een pastel bestaat vrijwel uitsluitend uit pigment, dat van een vernis uitsluitend uit bindmiddel.

Er bestaan ook zogenoemde matvernissen. De matheid ontstaat door toevoeging van kleurloos pigment. 
Met vernis heeft een kunstschilder de mogelijkheid het uiterlijk van een schilderij grondig te veranderen.
 

Door een schilderij met de gewone schilderijenvernis te vernissen, wordt een glad en glimmend oppervlak verkregen, met een matvernis ontstaat een glad en meer of minder mat oppervlak. Ook hier geldt echter; de verandering die door een vernislaag optreedt,
is op het beeldscherm niet te zien.

 

acrylverf voorbeeld.jpg

acrylverf 

Met acrylverf kan zowel in dikke als in dunne lagen geschilderd worden. De verf bevat echter een flinke hoeveelheid water. Door het verdampen hiervan tijdens het drogen, zakken penseelstreken en -toetsen iets in.
Dit is de reden waarom ze er niet scherp en kantig, maar enigszins afgerond uitzien.

Door tijdens het schilderen de verf sterk te verdunnen, worden gladde, vloeiende, aquarelachtige lagen verkregen zonder duidelijke verftoetsen.
Omdat de verf zeer snel droogt en na het drogen niet meer in water oplost, ontstaan tijdens het schilderen tamelijk snel bonte, streperige lagen. Een ramp voor wie gladde, egale lagen wil. Maar omdat de verflaag zeer snel droogt, kan er ook snel op door geschilderd worden en veel van dergelijke “streperige” lagen over elkaar geven een bijzonder en vaak uiterst bruikbaar effect.


AQUARELVERF

Op een aquarel is eigenlijk geen verflaag, maar alleen kleur te zien. De kleuren kunnen overvloeien van uiterst vaag en nauwelijks zichtbaar, naar zwaar en verzadigd. Sommige kunstschilders maken witte en lichte kleuren door witte aquarelverf te gebruiken. De meesten bereiken witte partijen door op die plaatsen het papier niet te beschilderen en lichte kleuren door de verf sterk tot zeer sterk te verdunnen. Bij een aquarel spelen kleur en structuur van het papier een belangrijke rol in het uiteindelijke beeld.

Aquarelverf bevat een zeer grote hoeveelheid oplosmiddel (water) en betrekkelijk weinig pigment. Tijdens het schilderen worden er ook nog eens grote hoeveelheden water doorheen gemengd. Je zou dus verwachten dat er weinig kleur op het papier achterblijft. Inderdaad kunnen aquarellen buitengewoon vaag en subtiel van kleur zijn, maar dat komt dan omdat de maker dat zo wilde. Door de zeer sterke verdunning verdwijnt het bindmiddel (arabische gom) in het papier. Het grootste deel van het pigment blijft echter op het papier liggen. Bij geringere verdunning blijft meer pigment achter, dus diepere kleuren. Diepere kleuren kunnen ook verkregen worden door meerdere lagen over elkaar aan te brengen. Dit moet overigens voorzichtig gebeuren, omdat droge aquarelverf weer oplost, als er verder op geschilderd wordt. Dat is vervelend als de kleur van de onderste laag niet met de volgende gemengd mag worden. Maar menig kunstschilder maakt er juist gebruik van, door partijen gedeeltelijk weg te wassen of er andere kleuren in weg te laten vloeien.

 
 
aquarel voorbeeld.jpg

eitempera voorbeeld.jpg

EITEMPERA

Eitempera is een verfsoort die van kippeneieren of de dooier hiervan gemaakt wordt. In de middeleeuwen werd ook wel verf gemaakt van het wit van het ei. Hiermee werden illustraties in getijdenboeken aangebracht, maar dergelijke verf heeft vandaag de dag nog slechts historische waarde. De huidige eitempera geeft zachte, matte verflagen. De kleuren kunnen scherp afgebakend naast elkaar staan of, meer of minder vloeiend, in elkaar overgaan.

Eitempera bevat veel water en weinig pigment, zodat er na het schilderen betrekkelijk dunne lagen overblijven waar voorgaande lagen in meer of mindere mate doorheen schemeren. De droge laag lijkt wat op die van acrylverf, maar is matter. Ook zullen, door de aard van het bindmiddel, penseeltoetsen wat geprononceerder overkomen dan bij acrylverf. 


GOUACHE

Gouache is waarschijnlijk beter bekend onder de naam plakkaatverf. Een droge gouachelaag heeft een mat uiterlijk. De verflaag van een gouache zal nooit een dikke verflaag zijn. Hierdoor is de structuur van de drager, meestal papier, zichtbaar in het uiteindelijke beeld.

Gouache dankt het kenmerkende matte uiterlijk aan de grote hoeveel-heid pigment. Die grote hoeveelheid zorgt voor betrekkelijk brosse verflagen en bij dikke lagen voor barstvorming. Door gouache als aquarelverf te verdunnen en er meerdere lagen over elkaar te schilderen, kunnen bijzonder fraaie effecten worden verkregen. Ook hier is voorzichtigheid geboden, omdat droge gouache, net als droge aquarelverf, snel oplost bij overschilderen. Een kenmerkend verschil tussen een aquarel en een gouache is, dat lichte partijen in een gouache altijd door menging met wit zijn verkregen.

In vroegere eeuwen werd gouache door kunstschilders gebruikt om ontwerpen voor fresco’s te schilderen. De verfhuid van de gouache lijkt, wat matheid en helderheid betreft, enigszins op die van een fresco, zodat de opdrachtgever een idee kreeg van het uiteindelijke resultaat.

 
gouache voorbeeld.jpg

olieverf voorbeeld.jpg

OLIEVERF

Een droge olieverflaag kan er rul en pastueus uitzien, maar ook dun en transparant. Als er tamelijk dun op doek is geschilderd, zal de structuur daarvan meestal goed zichtbaar zijn in het uiteindelijke beeld.

Door het ontbreken van een oplosmiddel zal een natte olieverflaag er vrijwel net zo uitzien als een droge, mits de verf tijdens het schilderen niet verdund wordt. Omdat tijdens het drogen niets uit de verf verdwijnt, blijft de penseeltoets onveranderd, duidelijk zichtbaar staan. Kleurpartijen kunnen scherp afgebakend naast elkaar staan of volkomen in elkaar weg geborsteld worden.
Dikke pasteuze lagen kunnen in zeer dunne, bijna weg gepoetste lagen overgaan. Bij sterke verdunning zullen penseeltoetsen niet meer zo scherp blijven staan, maar in meer of mindere mate wegvloeien.